LANDGOED WIGGERSHUIZEN e.a.
KAART1
     In deze beschrijving spreek ik van drie kleine tot middelgrote NSW-landgoederen, gelegen in de gemeente Winterswijk en tezamen ongeveer 80 ha groot, overigens met het kenmerk dat een centraal buitenverblijf ontbreekt. Het grootste landgoed, bekend onder de naam "Wiggershuizen" is gelegen in 't Woold aan de Wiggersweg, bestaande uit enkele verhuurde woonboerderijen, in recente jaren als zodanig ingericht door verbouwing van voormalige pachtboerderijen.De overige twee landgoederen m.n. "Koningshuizen", gelegen aan de Schoolweg in 't Woold en Klein Vennevertlo aan de Dwarsweg in Ratum zijn van ongeveer gelijke grootte; de bijbehorende verbouwde boerderijen vervullen thans nog uitsluitend een woonfunctie.

Noodzakelijk voor een goede exploitatie van een woonboerderij is, dat deze is voorzien van modern comfort en dat een dienovereenkomstige renovatie en aanzienlijke investeringen nodig zijn. Daar het oude gebouwen betreft blijft het onderhoud een punt van voortdurende zorg, temeer ook omdat ik de voor deze streek karakteristieke verschijningsvormen, zoals luiken, windveren en dekstukken zoveel mogelijk wens te handhaven. In een poging de onderhoudskosten van deze laatste onderdelen te beperken heb ik deze bekleed met aluminium folie, in de verwachting dat voortaan schilderwerk daarvan achterwege kan blijven. Zie de witte daklijsten in de presentatie hieronder.

De oorspronkelijk bijbehorende cultuurgrond is als losse grond verpacht aan eigenaren van belendende percelen. Bospercelen bestaan uit eik, beuk grove den, fijnspar en picea omorica of Servische den. Wegens de windgevoeligheid van laatstgenoemde boomsoort is de exploitatie daarvan door enkele stormen helaas grotendeels mislukt.

WIGGERSWEG16      Voor een beschrijving in vogel-
vlucht is vooral de historische samenhang met de vele andere landgoederen in deze gemeente van belang, samen een rijke schakering vormend bestaande uit vele bossen, afgewisseld met akkers en wei-
landen. In de oudheid is de bodem gevormd door grote ijsmassa's, die zand en grind, aangevoerd door rivieren weggeschoven hebben, daarmee keileem blootleggend. Door langdurige perioden van droogte en winderosie hebben zich plaatselijk laagten gevormd naast afzettingen van dikke lagen zand. Op de hoger gelegen delen ontstonden vele duizenden jaren geleden bossen, terwijl zich vennen en moerassen vormden op de lager gelegen natte delen. In dit gebied wonen al mensen sinds de steentijd. In de ijzertijd begon zich de landbouw te ontwikkelen op de hogere zandruggen langs de beken. Door het afbranden van bos kon tijdelijk een voldoende rijke bodem ontstaan voor de teelt van wilde tarwesoorten. Tot aan het begin van onze jaartelling viel zo gaandeweg het bos ten offer aan de landbouw, zodat slechts een heideachtige vegetatie overbleef.

RATUM      Met de overheersing door de Franken in de middeleeuwen kwamen met name door de uitvinding van de ploeg en het gebruik van dierlijke trekkracht ruimtelijke veranderingen op gang, tegelijkertijd werden er met de voortgaande kerstening kloosters en kerken gesticht met een daarmee overeenkomend gezagssysteem. Zo voerden de Scholten het lokale beheer uit als vertegenwoordigers van de wereldlijke en kerkelijke machthebbers. Het bezit viel in twee delen uiteen, n deel, het hofgoed, ging naar de Scholten, veelal een van de voormalige plaatselijke Saksische hoofden of hun nazaten, het overige land werd in hoeven uitgegeven aan horigen, die hierop een eigen bedrijf voerden. De horigen waren verplicht tot het leveren van producten aan het hof en het verrichten van diensten voor het hof. Zij waren vooral in latere tijden aan beperkingen onderworpen ten aanzien van vererving en huwelijk en stonden onder jurisdictie van de Scholten. Intensivering van de landbouw was alleen mogelijk door het afplaggen van woeste grond en het zo gewonnen organische materiaal te mengen met dierlijke mest ten gunste van kleine oude bouwlanden.

WIGGERSHUISJE Het vee dat de mest moest leveren weidde men op schrale heidegraslanden. Dit systeem, dat rond de 12e tot de 13e eeuw ontstond bracht met zich mee dat overal kleine hoger gelegen essen ontstonden omringd door de schrale gronden. Al deze essen waren rondom door dichte houtwallen tegen het wild en het vee afgeschermd. Het daardoor ontstane cultuurlandschap heeft zich tot het midden van 19e eeuw kunnen handhaven, met ruwweg een verhouding van 1 tot 6 7 van landbouwareaal tot oppervlak woeste grond.
    Opmerkelijk is, dat terwijl landschappelijk thans op vele plaatsen weinig meer van deze nogal fijnmazige structuur zichtbaar is, hedendaagse kadastrale kaarten nog een rijk patroon aan afzonderlijke perceeltjes in velerlei vormen laat zien. Uit het oogpunt van geschiedschrijving is het te betreuren dat het Kadaster tegenwoordig naar aanleiding van incidentele mutaties in kadastrale kaarten, alle nummers van eertijds bestaande percelen bij elkaar veegt tot n perceel en nummer.
    Aan het begin van de 14e eeuw ontstond de behoefte bezit-, gebruik- en ontginningsrechten vast te leggen en ontstond de markeorganisatie met aan het hoofd een markerichter. Deze functie was veelal erfelijk aan een scholte verbonden; rond 1850 werden de marken opgeheven en vond er een verdeling plaats van de woeste grond naar rato van al bestaande bezitsverhoudingen. Aanleiding voor deze verdeling was zeker de veranderingen die op landbouwkundig gebied plaatsvonden, door veeverbetering, gewassenveredeling en het gebruik van kunstmest.


BEDOLBERT    Terwijl in de rest van Nederland het systeem van hofhorigheid na de 80-jarige oorlog werd afgeschaft bleef dit nog tot rond 1800 in Winterswijk bestaan. Deze maatschappelijke structuur die in belangrijke mate het huidige karakter van het buitengebied heeft bepaald werd gekenmerkt door een aantal regels, zoals het verlenen van allerlei hand- en spandiensten door de horigen aan de scholten en het versterfrecht, waarbij de helft van het bezit van een horige boer verviel aan de scholte.
    De scholtengoederen vormden belangrijke economische centra met handel en textiel waardoor deze zich konden uitbreiden door aankoop van landgoederen en boerderijen, afkomstig van de liquidatie van eertijds t.b.v. Frankische ridders gestichte havezaten. Door diverse oorzaken nam in de tweede helft van de 19e eeuw de invloed van de scholten af.

KONINGSHUIZEN Een belangrijke factor daarbij was de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1861 met de nieuwe erfwetbepaling dat het recht van de oudste zoon op het gehele hofgoed verviel; daarmee begon de opdeling van de scholtengoederen en de daarmee gepaard gaande verkoop van onderdelen.
    Door het wegvallen van de rogge-export wegens goedkope graaninporten uit Amerika ontstond steeds meer de noodzaak tot het zelf uitoefenen van het boerenvak, in het bijzonder door diversificatie richting melk en vleesproductie, daarbij gebruikmakend van het goedkope graan als veevoeder. Door het blijven vasthouden aan de "garfpacht", een betaling van de pacht in natura in garven rogge, werd het "leed" van de lage graanprijs over pachter en verpachter verdeeld en bleef de sociale en landschappelijke structuur goeddeels bewaard.

In de regio is het landschappelijk gezien nauwelijks mogelijk voor een landgoed duidelijke grenzen aan te geven wegens de veelheid en de onmiddellijke nabijheid van andere soortgelijke landgoederen. Het feit dat de gemeente Winterswijk meer dan 100 NSW-landgoederen kent illustreert deze omstandigheid. Al deze landgoederen zijn door de kenmerkende, relatief grote houtopstanden direct gerelateerd aan de oorspronkelijke scholtengoederen. Eertijds werd waar het plantrecht langs wegen van de ene scholte op de andere overging ter markering een bruine beuk geplant.

KLOMPENMAKERSHUISJE

Op voorstel en met ondersteuning van Vereniging Monumentenbelangen Winterswijk, respectievelijk MONUMENTENWACHT GELDERLAND, werd in 2002 de restauratie van een oud klompenmakershuisje, behorend tot het landgoed Koningshuizen, gerealiseerd. Via bemiddeling door Stichting WCL-Winterswijk werd door het ministerie van LNV subsidie verleend. Het huisje werd volgens de huidige gepensioneerde ex-pachter en huurder/bewoner van de niet meer functionerende bijbehorende boerderij met toestemming van de verpachter omstreeka 1870 gebouwd door zijn grootvader, die het handwerk van klompen maken verrichtte. Wegens de historisch verantwoorde wijze waarop deze restauratie werd uitgevoerd werd mij de jaarlijkse monumentenprijs van de Vereniging Monumentenbelangen Winterswijk toegekend.



Zich bewust van de historische waarde, en trouw aan tradities, hebben opeenvolgende generaties van een beperkt aantal vaak aan elkaar geparenteerde families ervoor gezorgd dat het karakter van de scholtengoederen in de regio Winterswijk lange tijd bewaard bleef. Mijn familienaam Esselink staat al in de 11e eeuw in verband met gronden in 't Woold op een inkomstenlijst van het St. Mauritsstift te Mnster als "Ezelin de Wintereswic".

   Thans 215 jaar geleden werd door mijn voorouders samen met een aantal andere scholten een school gesticht in 't Woold ter bevordering van het alge-
mene kennisniveau van de lokale bevolking.
    In 1992, het jaar waarin het 200-jarig bestaan van deze school werd gevierd werd een jubileumboek uitgegeven waarin als markante bijzonderheid een deel van de oprichtingsakte werd afgedrukt.(zie afbeelding hiernaast)

   Het betreffende document bleek eerder al dienst te hebben gedaan als een prop papier ter afdichting van een gat in een meelzak.

   Een opmerkelijke bijzonderheid is, dat personen niet aangeduid werden door hun naam, maar door de naam van het scholtengoed dat zij vertegenwoordigden.

    Nog in 1977 heb ik in samenhang met het aangren-
zende landgoed Koningshuizen door middel van grondruil met de gemeente Winterswijk mijn mede-
werking verleend het oppervlak van het schoolterrein uit te breiden.

SCHOOL K
    Een deel van de vreugde dit te mogen bezitten en te beheren, is het besef dat de wortels van het eigen bestaan zeker al sinds de 11e eeuw in deze zelfde grond zijn verankerd. Helaas lijkt dit historisch besef niet bij alle nazaten van scholtengoederen even sterk aanwezig, getuige het feit dat velen gezwicht zijn voor de druk van een agressieve aankooptaktiek van natuurbeschermingsorganisaties. Te weinig wordt beseft dat er voldoende vraag is van particulieren die, zoals dat al eeuwenlang gebeurt, het bezit van (een deel) een landgoed willen verwerven en een meer streekeigen beheer willen voeren.

  Odijk, juni 2008
Ir. A.J. Esselink


TERUG NAAR: INTRODUCTIEPAGINA OF LANDGOEDLIJST